Wat vooraf ging: Mijn negen maanden

18 mei 2014. Het is een fantastisch mooie lentedag. De zon schijnt vol op en het is warm genoeg voor een barbecue feestje. Ons bescheiden balkon (lees: onze twee vierkante meter tegels met stenen omheining) wordt dan ook the place to be. Stokbroodje, vlees en vis van de grill en een drankje. Maar rustig genieten kan ik niet. Er is iets. Ik weet niet wat maar er is iets.

Ik vlieg tegen de muren omhoog. Wat is er toch aan de hand? Vriendlief stelt voor om naar het strand te gaan. Nou ja, voorstellen. Ik krijg mijn tas in mijn handen geduwd en voor ik het weet zit ik in de auto. “We gaan naar Zandvoort, misschien word je daar een beetje rustig van”. Schatje toch. Ik hou van het strand. Wat dat betreft had ik daar beter een huis kunnen kopen dan in hartje Amsterdam. Als iets me het ultieme gevoel van vrijheid en geluk geeft is het de zee. Ja, zelfs de Nederlandse zee. We drinken een paar koppen cappuccino bij een net-geopende strandtent. Ik kan dit elke avond wel doen. We lopen kilometers langs het water voor dat we diep in de nacht terugrijden naar het (ook best wel heel erg) mooie Amsterdam.

De volgende ochtend word ik wakker om half vijf. Het onrustige gevoel knaagt nog steeds. Ik pak een zwangerschapstest uit de kast, we hopen immers op een kindje, maar dat zal het vast niet zijn. Ik doe de test toch, je weet maar nooit. Terwijl ik de kamer opruim werp ik een schuin oog op de test. Ik kijk, ik kijk nog een keer, ik doe het grote licht aan en kijk nog eens. Misschien moet ik mijn bril erbij pakken. Het is een streepje. Het is echt een streepje.

Half vijf of niet, alle lampen in huis gaan aan. Ik trek de dekens van het bed af en sla mijn vriend wakker. “Zie jij ook wat?”. Er komt langzaam beweging in mijn vriend die niet weet wat hem overkomt (brand? inbrekers? kan nooit goed zijn dit). Als hij is geland op planeet aarde constateert hij met mij: “Ja ik zie het ook”.

Geluk is relatief. Als ik na 5 weken met complicaties de huisartsenpost bel, zegt de sociaal vreselijk incompetente dame aan de andere kant van de lijn: “Je hebt een miskraam, erg jammer, maar het is niet jouw schuld hoor”. Verbaasd staar ik naar de telefoon. “Zo reptielgezicht, dit is hoe je met mensen omgaat? Chapeau!” denk ik, maar zeg ik niet hardop. “En wat gaan we nu dan doen? Kunnen we dat niet controleren met een echo?” vraag ik. Haar antwoord is nog mooier dan haar eerste antwoord. “Kom maar terug over een week of zeven, eerder doen we niks.”

Gelukkig denkt mijn huisarts er anders over. Twee weken wachten nog, dan kan er hartactiviteit waargenomen worden, dan mag ik een vroege echo. Twee lange weken. Maar goed dat ik die fles whiskey niet van pure stress achterover heb geslagen want het hartje klopt. Ukkie zit goed. Als hij geen last krijgt van mijn spanningsfrequentie weet ik het ook niet, maar we kunnen weer adem halen.

De roze wolk. Erg roze, erg fluffy en zacht. Mijn opleiding interesseert me helemaal niet meer. Ik staar in het luchtledige en denk alleen aan die leuke kleertjes die ik zag hangen, welke kleur wordt de kinderkamer? Wat zou het zijn, een jongetje, het wordt vast een jongetje, dat heeft mijn gevoel altijd al geroepen. De weken vliegen voorbij. Tot week 24 aanbreekt. De verloskundige stuurt me met complicaties naar het ziekenhuis. Na een CTG en een echo mag ik blijven. Eén nachtje, twee nachtjes..

Het ziekenhuis is best wel luxe. Een kamer met eigen badfaciliteiten en een bakstenen slaapbank voor mijn vriend, die dus ook niet blijft slapen. Ik kijk tot diep in de nacht televisie. Air crash investigation, voor de positieve noot. Slapen lukt niet met al die toeters en bellen. Ook niet met het licht op de gang aan, en al helemaal niet met verplegers die elke twee uur je kamer binnenstieren met het grootste lawaai dat je je kunt voorstellen. Dit grapje herhaalt zich nog drie keer tot week 30. De verplegers heten me welkom terug als ik weer de ziekenhuisgang over sjok. In het bevalcentrum is het een af en aan van jonge ouders met kindje. Natuurlijk, ik wil niet dat mijn kindje met deze termijn geboren wordt, maar stiekem ben ik jaloers. Als ik mijn kindje in mijn armen had, wist ik tenminste hoe het met hem ging. Nu kan ik alleen maar hopen dat het goed gaat.

De rust komt godzijdank terug, de laatste tien weken. Ik zit al even in de ziektewet dus rust heb ik genoeg. Pootjes omhoog, liters groene thee, slechte films, kom maar op. Die laatste weken kom ik ook wel door.

2014-05-17 20.01.56

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s