De lichtroze wolk (1/3)

Damien Rice klinkt door de speakers, een waterig januari zonnetje schijnt de kamer in en ik lig met een gigantische kop thee op de bank. Naast me in de box ligt ukkie lekker te slapen. Hij is vandaag negen dagen oud. Lieve kraamhulp Chantal is weer naar de volgende klant. Wat een heerlijke week hebben we gehad, denk ik bij mezelf. Vriendlief was een week vrij, ukkie deed het fantastisch en ik heb in lange tijd niet zo goed geslapen. De verloskundige komt langs en ziet de gelukkige blik in mijn ogen. “Je verdient het”, zegt ze, “je hebt het moeilijk genoeg gehad de afgelopen weken”. Ik ben het zomaar met haar eens. Inderdaad, dit verdien ik.

Op de tiende dag staat mijn vriend met een versgebrouwen thermosbeker koffie bij de voordeur: “Tot vanavond, gaat allemaal goed komen vandaag he? Bel me als je me nodig hebt”. Natuurlijk gaat dit goed. Junior slaapt van voeding tot voeding, en ik met een beetje geluk ook hier en daar. Met een stapel dvd’s, tijdschriften en boeken die ik nog moest lezen, kom ik die dagen wel door. Tot ik zoonlief uit bed haal. Hij begint te huilen en wil niet meer stoppen, wat ik ook probeer. Wat is dit nou? Mijn perfecte kindje, waar ben je gebleven? Alsof er in zijn hoofdje een knop om gegaan is. Ik herken mijn kind niet meer.

Na weken lopen, wiegen, sussen, knuffelen en nog meer lopen, word ik moe. Ukkie wil niet meer slapen. Hij wil trouwens ook niet meer rustig eten. Hij blijft maar huilen, zeuren, mopperen, schoppen en slaan. Er is iets aan de hand. Krampjes, natuurlijk, daar leest iedereen over tijdens de zwangerschap, maar dit is meer dan dat. Ik voel het, ik weet het. De hele dag ben ik in touw. Ik geef sowieso volledige borstvoeding, dus de nachten zijn ook voor mijn rekening. Kindje in de draagzak, dan kan ik nog wat in huis doen, kindje op mijn arm, dan slaapt hij tenminste tien minuutjes na een voeding, kindje in de wagen, en maar lopen, en maar lopen. Ondertussen dat gehuil, voor mijn gevoel onafgebroken. Is hij eindelijk stil, krimp ik ineen bij het minste of geringste geluidje dat hij maakt, hij zal toch niet weer gaan huilen? Hij is zo lief, hij is zo mooi. Het is het grootste knuffelkontje dat ik ooit gezien heb. Hij kruipt het liefst in mijn trui en vindt het heerlijk om in mijn armen te liggen. Ondertussen kijken zijn waterige oogjes me hulpeloos aan. Wist ik het maar jongen, wist ik het maar.

Rond een uur of zes in de avond valt ukkie van uitputting in slaap. Vriendlief treft dan ook een serene rust (en oké, een verwilderde vriendin). Zag hij maar hoe zwaar het overdag was. Als ’s avonds kraamvisite langs komt, zit ik als een soort zombie op de bank. Ik trek mijn gezicht in de plooi, doe iets leuks aan, drink drie bakken koffie en het lijkt heel wat. Maar ik ben moe, zo verschrikkelijk moe. Het is sowieso druk in huis, iedereen wil komen kijken naar ons wondertje. De drukte heeft geen goede uitwerking op ons kindje. Prikkels, drukte, van schoot naar schoot.. een beetje teveel van alles en meneer wil niet ook ’s nachts niet meer slapen. Ik probeer het mensen duidelijk te maken, maar het wil niet doordringen. Voor mijn gevoel wordt er geschreeuwd in huis. Hou op! denk ik bij mezelf.

Overdag overleg ik met het consultatiebureau. “Mijn zoon huilt, hij huilt 8 uur per dag. Ik ben moe mevrouw, wat kan er aan de hand zijn?”, ik moet het bijna gillen door de telefoon, omdat ukkie krijst (klein huisje hè). “Oh jeetje, ja ik hoor het”, is het antwoord van de vriendelijke verpleegster van het consultatiebureau. Meer advies dan ‘laten huilen’ heeft ze niet. Ik had niet anders verwacht. Tja, laten huilen, dat doe ik al. Want hij stopt niet. Of ik hem nu vast heb, in bed leg, of met hem ga wandelen. Misschien dat de huisarts meer zoden aan de dijk zet. Die moet ik morgen maar bellen.

’s Avonds weer kraamvisite over de vloer. Kraamvisite met goed bedoelde (maar heel ongewenste) adviezen. Zo werkt het nu eenmaal. Een ander weet het altijd beter dan jij en je doet altijd iets verkeerd. “Je bent gewoon gespannen, dat voelt je kind.” “Hij weet dat je hem oppakt als hij huilt, je verwent hem.” “Geef hem maar hier, dan wordt hij wel rustig”. Ukkie gaat van mijn arm. “Zo, nu zal hij wel rustig worden”. Een kwartier later krijst mini nog steeds. Goed zo jongen, denk ik bij mezelf. Ik ben niet gespannen, ik heb een huilbaby, of een baby die pijn heeft en daar moet ik wat aan doen. Ik ben toch verdorie zijn moeder? Ik weet wat goed voor hem is. Ik draai me om en loop de kamer uit. Ik wil mijn kind niet afgeven, er is iets met mijn kind en dat kan niemand oplossen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s